Schrijfgek

Schrijfgek

Daar zag ik hem zitten! Een droge dag tussen regenbuien. Plat op zijn kont in het zand alsof het hoogzomer is. De sjaal om, tranen op zijn wangen en een lekkere warme jas. Zelf gekocht, niet de sjaal, wel de jas. Blauw, effen, saai, maar wel lekker dik. Vroeger kocht hij ze met een rits op de binnenzak. Nu niet meer, één rondje door het winkelcentrum en een keuze gemaakt. De beste uit slechten.

Hij maakt zich er niet druk om. Een jas! Dat komt vanzelf wel weer. De neuzen van zijn schoenen ook al kaal. Weet je dat hij ooit op zaterdag met schoensmeer in de weer was? Dat is lang geleden, heel lang geleden. Inmiddels is hij op. Verbruikt door het leven. Geen energie meer om op te staan. Geen zin om te genieten. Laat de regen maar komen en alle ellende als suiker oplossen. Dat het zo wegstroomt tussen het zand, zakt en nooit meer boven komt.

Dan blijft alleen de jas. Het blauw, met de rits nog dicht. Speelbal van de wind, de ruimte van de vlakte van het zand. Alle kanten kan het op gaan. De lucht in, ver weg over de vlakte of rollend over het zand. Misschien houdt de blauwe jas wel van water en is het een vaardig zwemmer. Drijft hij weg naar andere werelden en nieuwe vrijheden. Het gebeurt niet. Het enige wat hem lukt zijn flarden van zinnen uit een liedje. ‘Morgen is ze weg’ neuriet hij nu. En de wind danst mee met zijn woorden, wuift haren door de war en attendeert hem zo vriendelijk op het onjuiste van zijn zin.

Hij ging zelf weg. Als een vlucht, een ontsnappen aan een druk die onmogelijk te hanteren was. Zoals mensen de stilte van het strand niet kunnen aanvaarden. Terwijl er zo veel luid pratend roepen dat het vooral heerlijk is. De schuimkoppen, de hond, iemand om tegen aan te blaten. Hij wilde ze vervloeken en glimlacht nu om zijn gedachte. Dat niemand ziet hoe mooi het zand is. Er ordening is in de manier waarop schelpen zijn neergelegd. Het water niet altijd weer boven komt, maar eigenlijk ten onder gaat voor het strand wordt geraakt.

Hij lijkt, van een afstand, wat verward. Mompelend, plots opkijkend, dan weer de vertwijfeling waarmee zijn hand door haren gaat. Iets in mij zegt dat er een arm om de schouders moet. Kan hij dat waarderen of slaat hij, weert hij af, rolt hij om en vlucht hij? De man in blauwe winterjas, rennend over het strand. Klimt hij de duinen op of duikt hij onder in de zee? Zou het erger zijn als hij blijft. Zitten, starend naar de horizon en vertellen. Alles, als een stortvloed van onsamenhangende zinnen die je een verhaal vertellen dat je doet schrikken. Al zijn ellende eruit. Genoemd en daardoor bekent wat hij liever binnen houdt.

Zou ik schrikken of weet ik het al? Niemand zit hier. Zitten kan alleen als het lopen niet meer gaat, staan te moeilijk is en al die korrels van het zand als een comfortabele sofa zijn. Nee, hij ligt nog niet. Het zou zo maar kunnen. De wind hard jakkerend over het zand. Turbulent, vol kracht! Opgewekt boven het water, in lange golven tegen de duinen kapot. En hij, te pletter! Eigenlijk zou hij moeten leven. In de ochtend de ene kant op met een mooie blonde, in de middag terug met een ander. Donker en vol vuur met een gulle glimlach.

Hij zou moeten zoenen, omarmen, dansen met de wind. Hij zit stil. Kan het niet. Het hoofd nog vol. Als hij staat. Probeert. Zakt hij terug. Dan knielt hij, zet zich schrap. Ik steek mijn hand, hij grijpt en merkt niet eens dat hij vast heeft. Verblind door verdriet, ellende die hem keer op keer uit het lood slaat. Zoals de wind hier zo veel mensen voortjaagt over het zand. En juist die enkele tegenhoudt om over de duinen te komen. Als een verbodsbord zonder dwingende betekenis, maar met zachte moederlijke hand. Even te veel, even niet, kies maar het andere pad in de luwte.

Hij koos zijn eigen weg. En nu zit hij. Geknield en onderweg naar staan. O hij staat al. Keek hij nu maar om, even op. Maar hij ziet mijn kant niet. De zee is aanlokkender. Het weidse, grijs, de ruimte lonkt gretiger. Zien sterker dan voelen. En hij ziet alle bergen en dan dit uitzicht op dit moment. Alles vlak, met een rustig ritme. Het continue lokt hem. Voorzichtige stappen over het rulle zand. Verbazing als het hard en vlak wordt waar de schelpen in lange rijen liggen. Ik zie hoe hij raapt, de drie mooiste voor zijn voeten geworpen. Koesterend in die grote hand. De duim teder over de ribbels over de helft van wat nu dood is.

‘Zo is het leven’ verzucht hij. Ik hoor het niet. Het is de wind en ja, hij is te ver weg. Ik zoek een arm om zijn schouder. Kan ik iemand troosten die niet te troosten is? Wil iemand steun als hij zegt te klimmen maar kiest voor te pletter slaan? Heb ik de verantwoording hem te helpen, hem te laten staan? Ik weet het niet. Hij zag mij niet. Vervloekt mensen langs de veilige kant van de rand. Ik weet dat hij niet in het water zal staan. Dit is ver genoeg. Getallen geven orde. Hij knikt. Ik zie duidelijk dat hij knikt. Dan draait hij om en ziet mij. Ik hoop op een zwaaien, de glimlach. Het komt niet. Hij lijkt te wenken.

Samen lopen we een stukje van zijn weg. Hij vraagt het als ik dichtbij ben. Of ik samen met hem, langs de vloedlijn. Heen en weer, dag en nacht, ochtend en middag en hij lacht. Begrijpt hij wat ik dacht? Leest hij wat ik niet zeg, niet heb geschreven. De spanning trekt als een bliksemflits over zijn gezicht. Lijkt zich te ontladen in het zand. Als ik omkijk zie ik een spoor in een ruime bocht van de plek waar hij was, even stilstond en nu verder naar onderweg is. Het is goed. Bemoedigend vertel ik hem dat het fijn is als hij gaat schrijven. Het enige wat hij hoort is ‘gek’.

Snel corrigeer ik mijn woorden tot schrijfgek, gek op zijn schrijven, dat het tenminste fijn is als hij toch de tijd zou vinden om woorden in een tekstverwerker te krijgen. Hij zucht en begint het begin van een milde storm. Zo één die het zand op doet waaien en je ogen laat prikken. Bijna voel je tranen en zie je nu goed dat hij, net als jij? Nee, niet een man in een blauwe winterjas. Niet zoals hij. Hij is van het soort dat staat, stevig en met rechte rug doorgaat. Speels de bal een trap geeft zodat een hond verder kan rennen en luid blaffend zijn aanwezigheid in de ruimte een plek geeft.

Die plek hoeft hij niet en ik weet het. Even onzichtbaar en zuchtend langs de kant. Opgaan in de ruimte van het zand. Ver weg van de gebaande paden die hier worden weggevaagd door wind en terugkomende golven. Nietig, niet bestaand, onbetekenend. Aan de rand van het land. De korst, de kruimels, de rand die eraf kan en dan niet gemist wordt, hooguit gemorst wordt. Even dieper zakken, als voeten in het rulle zand. Niet meer vooruit komen, weten dat je niet kan blijven. Want de nacht en de kou en… Nou en. Nog één keer haalt hij diep in. Dan roemt hij de zeelucht, hoe gezond het is. Dat het een prachtige dag is in een reeks van slechte dagen. En ik weet: schrijfgek, schrijf gek…

Advertenties

Over ghduval

Wat hier staat is echt, tenminste toch echt in het hoofd van Duval en kan dus niet gebeurt zijn. Uitschrijven van gedachten niet meer dan een vriendelijk gebaar zodat u mee kunt lezen, verwonderen, afwijzen of omarmen. Deze weblog is het aambeeld waarop wordt gesmeed. De mens in al zijn verschillende vormen het ijzer wat gesmeed wordt. De gedachten en vele kronkels van Duval zijn de hamer die ritmisch neervalt. Nu alleen de warmte nog. Dat bent u, webloglezer (v/m), het is aan u het vuur hoog op te stoken zodat het wonder van de smid te bewonderen valt.
Dit bericht werd geplaatst in Uncategorized en getagged met , , , , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s