7, 8, negen, tien

 

Vandaag moest ik terug. Ik moest naar hier. De deur dicht, op slot en schrijven. Het was mij maanden niet gelukt. Ik kon geen woord vinden om deze hoek mee te vullen. Nu wel. Nu moest het. Als een zieke die uit het ziekenhuis werd ontslagen, een blinde die dankzij het wegnemen van een donkere zonnebril weer kan zien, als een Ramses S. die failliet wordt verklaard. Dat soort werk.

Ik was verliefd en als er geen geldiger excuus is om niet te schrijven dan is het wel de liefde. Ik vond het mooiste meisje van de klas. De vrouw die perfect paste. Haar glimlach had een wijsheid en haar borsten straalden een vrouwelijke kracht die ik niet kon weerstaan. Als ze sprak dan waren het woorden waar ze lang over had nagedacht en de momenten samen waren momenten waarin zij zich los moest strijden van de zorg voor twee kinderen.

Een moeder ja, een vrouw van en ze was bij mij. Ik kon niet meer dan blij zijn. Als ik haar zag dan fluisterde ik een dankjewel. Dan lachte ze en omarmden we. Ik kan nooit meer omarmd worden dan zoals door deze vrouw. In getallen was ze jong, in ervaring was ze net iets wijzers. Het maakte ons gelijken en dat voelt fijn. Toch schoof ze met gemak alle macht naar mij, haar vertrouwen was groot. Ze wist van de liefde en begreep dat ik nooit meer zou doen dan een liefhebbende man haar zou kunnen geven.

Daarom droomde ik hardop van een tuin, de schommel. Ik leerde dat een keuken zonder vaatwasser bestond en als het er op aan zou komen dat ik dan ruim tweehonderd kilometer ver zou wonen. Het gaf niet, de open haard, een kleedje, de krokus in het voorjaar en uiteindelijk toch een hond. Ik maakte mij zorgen om werk en inkomen, zij keek in mijn ogen en zag mijn liefde. Wat kon ik meer dan zeggen dat ik van haar houd? Het is het enige wat kon, naast de vraag of wij samen aan een leven konden beginnen.

Nu zegt ze dat ik het nooit heb gezegd. Natuurlijk dramde ik dwaze dromen. Over randstad, rijtjes woning, gillende buren en een rij bij de Albert Heijn. Ze zou opnieuw in file moeten leren parkeren en ze vroeg zich hardop af ‘vinden mijn kinderen het bij jou wel fijn?’ Ik wist dat niet, ik kon alleen maar zwijgen dat ik de beste zou zijn. Voor altijd en eeuwig met haar samenleven en ik zocht een baan en vond een huis, een plek voor samen. Toen de plek rond was en de baan in het zicht klonken haar woorden anders.

Ze had mij niet begrepen. Ik had nooit goed geluisterd. Het was onmogelijk. De eerste week van mijn vakantie deelde we de lust van het verlangen om samen te zijn. De tweede week stapte ze opzij, was volgens haar alles anders en hoorde ik alleen het bekende. Ze had nooit begrepen dat alle woorden die ze over haar eigen leven vertelde zo een enorme chaos was. Ik had altijd orde gezien en de dingen begrepen. Zeker weten dat wij samen in combinatie met de liefde iedere berg zouden overwinnen, misschien. Maar zij kent de liefde en zij leerde mij vrijen.

Haar armen waren warm, maar tussen haar benen leerde zij mij waar de hemel is. De liefde voelen stromen was een wonder en ik wilde meer, verlangde en dacht dat als ik nu zou sterven dat ik het dan op mijn hoogtepunt zou doen. We dachten hetzelfde. Meer dan dit bed kon het niet worden. Maar hoe zou ze mij kunnen vertellen dat er niet meer was? Ik rolde om, legde mijn hoofd op haar warme zachte lichaam en vroeg haar keer op keer of ze samen zou willen leven met een dwaas zoals ik.

Altijd zei ze nee en op een dag knikte ze. Het was niet eens van schrik. Het voelde als een toegeven aan iets waar zij zich zo lang tegen had verzet. De wijze woorden voorbij, de liefde sprak in haar woorden en op een rustige avond kwamen wij samen. Het bos was donker en de bank comfortabel. Ze stelde haar vragen, had een lange lijst. Ze raakten, het was geen arm kind meer die veiligheid zocht in de armen van een willekeurige man. Het was mijn vrouw die koos voor de liefde van haar leven. De keuze van haar leven en ze wilde het dit keer zeker doen, overtuigd en geen enkel punt uitsluiten.

Ik kwam niet aan mijn woorden toe. Haar vragen kritisch en mijn antwoorden oprecht. Toen vertelde ze over twee kinderen, haar alles en ze vroeg of ik het kon. Of ik alsjeblieft een vader wilde zijn en ik slikte, knikte, die vraag was zo bijzonder, lag zo ver in de toekomst vooruit, dat ik zeker wist dat zij. Uiteindelijk hebben we omarmd, moeten we omarmd hebben. We wisten het zeker, we voelden liefde en daarmee was het hele verhaal uit. Een afscheid, een kus, een knuffel en een ‘nu moet ik gaan.’ Ik hoopte op snel weer zien, zij wist dat het was gedaan.

Ergens had ik de fout gemaakt. Wilde ik te snel of was ik te eager. Ik was als een man. Het liefste bond ik haar handen samen en maakte van haar een handzaam pakket. Dan zou ik haar zoenen en vertellen dat zij het mooiste is dat ik ooit zou kunnen vinden, dat zij de vrouw is die ik liefhebben zou. Had ze toen al geschud? Ik wist het niet. Ik ging naar huis en vloog met vleugels. Het was een heerlijke glijvlucht en ik danste op de thermiek. Tijdens mijn vakantie bleek niets meer zeker. Na mijn vakantie bleek alles voorbij.

Ze kon het mij uitleggen, de verklaringen waren logisch. Ik hoorde wat ik al maanden hoorde. Alleen was de chaos nu enorm, mijn chaos was er niets bij. Toen keerde ik om en keek in mijn kamer. Mijn vrouw lachte blij. Ik was waar ik hoorde, in haar domein, dichtbij. Nu moest ik blijven, zitten, rtl en vooral de reclame. Of ik ook een keer de vaatwasser en als zij werkte dan waren de kids voor mij. Ik zuchtte en hoorde geen liefde. Zei dat ik wilde scheiden en dat maakte haar niet blij. Op een avond heb ik het gezegd omdat ik het niet voor me kon houden.’ Lieve vrouw ik ben verliefd en al zal ze nooit bij mij wonen dan nog blijft zij het mooiste wat ik zag.’

De boodschap kwam niet over. Dus herhaalde ik in alle rust de rij letters nog een keer. Nu ik hier was, was het zaak dat ik zou blijven. Dus dwong ze mij tot dingen die ik niet wilde doen. Werd ‘ja’, razendsnel ‘nee om te veranderen in een ‘misschien’, ‘ooit’, ‘weleens’ en toch weer ‘ja’ omdat het ‘nee’ was of toch ‘ja’? Ik werd langzaam gek en verlangde naar een vrouw. Die mooie met haar handen op de rug gebonden. Die ene die riep ‘ik ook van jou!’ maar ik kon niet bij haar komen. Mijn auto startte niet, mijn agenda bleek overvol en als zij wilde kon haar man onmogelijk tijd vrij maken zodat zij, naar mij.

Daarom is het vandaag de dag dat ik terug moet. Ik moet schrijven, vertellen, delen. Niet over de liefde maar over het weer, het nieuws of een dwaas gebeuren op de straat. Ik moet terug naar het gewone leven, naar de middelmaat. Ik adem in en adem uit en dat is heerlijk maar ik weet dat er een tijd was dat mijn hart voortgeslagen werd in het ritme van de liefde. Haar liefde voor mij. En uiteindelijk kijk ik iedere dag om, check ik ieder uur mijn mail, piept mijn telefoon dan is er kans dat zij. Want hoop sterft altijd als laatste en pas daarna is alles voorbij.

Advertenties

Over ghduval

Wat hier staat is echt, tenminste toch echt in het hoofd van Duval en kan dus niet gebeurt zijn. Uitschrijven van gedachten niet meer dan een vriendelijk gebaar zodat u mee kunt lezen, verwonderen, afwijzen of omarmen. Deze weblog is het aambeeld waarop wordt gesmeed. De mens in al zijn verschillende vormen het ijzer wat gesmeed wordt. De gedachten en vele kronkels van Duval zijn de hamer die ritmisch neervalt. Nu alleen de warmte nog. Dat bent u, webloglezer (v/m), het is aan u het vuur hoog op te stoken zodat het wonder van de smid te bewonderen valt.
Dit bericht werd geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink .

2 reacties op 7, 8, negen, tien

  1. selmasalo zegt:

    Gevoelig verhaal,
    maar waarom die sm-illustratie erbij?

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s