Er bestaat geen prins op het witte…

Hij staat voor haar. De koffiemachine maakt een geluid alsof de bonen vers worden gemalen. Dat is niet zo. Hij staart naar zijn beker die wordt gevuld met drab en daarna aangelengd met water. Zijn bekertje pakt hij weg en even lacht hij naar haar. Het is niets meer dan een vriendelijk gebaar. Bijna alsof hij haar de gunst verleend om ook even het wonder te mogen proeven dat deze machine geneert.

Voorzichtig hapt hij een eerste slok. Verbrand bijna zijn lippen en mompelt zachtjes "zo, nu is mijn dag weer goed." Blijkbaar kan zijn dag niet zonder koffie. Zij heeft het ding al geslagen. Drie doelbewuste tikken op het apparaat. Ze kan het blindelings. Het ding moet doen waarvoor het gemaakt is en zelfs als hij het goed doet is dat voor haar geen reden om een vriendschappelijke band met deze machine op te bouwen.

De man wil niet weg en zwijgt, maar zijn signalen zijn alsof hij een heel verhaal aan haar wil vertellen. Dus wacht ze even uit beleefdheid. Hij vraagt tussen twee slokken door ‘wat dat nou was’. Ze kijkt hem vragend aan en hij gaat roeren. Even overweegt ze haar koffie op de tafel te zetten, een thee te nemen en er even bij te gaan zitten. Dat doet ze niet. Als er eenmaal koffie is gekozen blijven druppels koffie het theewater vervuilen.

Ze vertelt het als introductie op een gesprek. Ze is gaan zitten, roert ook in haar koffie, pakte daarvoor zelfs een lepeltje en vind het prettig dat hij ook zit. Deze situatie is immers het perfecte moment om aan te geven wie de leider is en wie geleid dient te worden. De man die staat. De man in pak, tijdloos pak met stropdas. Bruine schoenen, te bruine schoenen, als frivool element. In het ergste geval zet hij zijn voet op een stoel, gaat op de tafel zitten of kijkt op zijn te dure horloge.

Hij vraagt naar de Sint en de hele situatie. De woordkeuze. Hoe fout zij kan zijn om gesproken woord ook op een volkskrantblog te schrijven. Voor zijn laatste slok merkt hij op dat als het dan moet het toch minimaal verborgen in een te lange tekst kon staan. Niemand leest immers al die woorden of zoals hij het zegt: "daar hebben jij en ik, mensen met een gezonde carrière, toch geen enkele tijd voor."

Ze pakt haar zakdoek, snuit haar neus, een tafereel wat lijkt op overgave. Hij wil ook opstaan, zeggen dat het al goed is en nog iets mompelen over haar werk. Dat er iets af moet, hij ergens op wacht of een ander onbenullige mededeling. Even kijkt ze op, bewust. Het korte opkijken dat je positie verraad. Was ze een vos of een wit wild zwijn dan was ze geschoten. Hij schoot, met zijn ogen. Keek, zag ogen, borsten, heup en haren. "Raak" dacht zij en schoot terug met haar woorden.

"Het is een klootzak, dat weet jij ook." Dat bracht stilte. De gespannen stilte van schaakmat. Blijven of vluchten. Hij sloot de deur. Ging tegenover haar zitten en boog zich ver over de tafel. Zijn blik stond ernstig en in korte zinnen vertelde hij wat hij wist. Dat het waanzin was om een man met sterk a-sociaal gedrag in zijn team op te nemen. Dat het niet te verantwoorden was om iemand die zo a-productief is, zo a dit en a dat toe te laten bij een bedrijf met een a-merk gevestigd op een a-locatie van het nieuwe industrieterrein.

Zij knikte niet, bewoog niet, knipperde niet eens met haar ogen. Ze was star, de nekspieren gespannen. Hij schoof terug, leunde achterover. Ze kijkt. Knikt. Begrijpt dat ook dit bedrijf een sociale verplichting heeft. Een plaats is voor gedreven mensen en ruimte bied voor één enkele uitzondering. Ze wil beginnen over het probleem wat ontstaat als de uitzondering niet meer beseft gedoogd te worden. Gelooft in de illusie dat zijn bestaan maatgevend is voor dat van anderen en zijn gedrag normaal is.

Toch doet ze een poging. Begint een zin over woordkeuzes van de gewaardeerde collega. De man tegenover haar denkt begrepen te zijn. Glimlacht en realiseert zich een prachtige doofpot gecreëerd te hebben. Ze schudt. Ziet hem, verkropt weer niet wat ze ziet. Bijt op haar onderlip. Hij begrijpt dat deze situatie niet een juiste is. Schuift weer naar voren. Wil mild zijn, iets zeggen, maar zij is hem voor.

In rustige woorden vertelt ze dat ze elf was. Elf of twaalf en dat hij, de klootzak, de vent van etage drie in een park liep. Ze schudt haar hoofd. Kijkt langs hem heen. Kijkt naar buiten. Ziet de lucht, het grauwe, de regen, de vrijheid, de vlucht. Ze kijkt en laat haar tranen lopen. Pas nu wist ze wie het was en ze was verliefd. Eindelijk verliefd. Verliefd op de grote stoere goedzak die hij ook was. De milde zachte man, de idioot met rare grappen.

Maar daar. Daar in die kamer had hij het vertelt. Vertelt tegen Pieten. Mannen met een zwart geschminkt gezicht. Dat hij daar rondliep in dat park, dat hij haar wilde maar niet kon krijgen. Ze hoorde het, begreep het direct. Ze was verliefd en wilde bij hem zijn. Kijken hoe hij zich voorbereidde. De mijter erop zetten en toen dit. De directeur luistert. Voor het eerst lijkt de man mens en is hij meer directeur dan de man met stropdas gul gebarend bij een koffiemachine.

Hij knikt en begrijpt het. Vraagt haar rustiger te praten en samenhangende zinnen te maken. Dit is immers net als schaken. Het schuiven van stukken pas na nadenken. Hij vertelt haar de kosten van de gebroken vaas niet op haar te willen verhalen. Dat stemt haar niet mild. Het maakt haar even woest, even maar. Haar stem slaat over, ze herhaalt boze woorden. Maar het kalmeert en hij luistert, als ze stil is vat hij samen. Vraagt haar alles te zien als een sprookje.

Met stomheid geslagen kijkt ze hem aan. Vertelt wat ze altijd vertelt als het om sprookjes gaat; dat sprookjes niet bestaan. Hij zucht, zij kijkt hem aan. Vertelt van haar vader die er niet was. Niet leerde schaken, niet vertelde hoe het in het leven moest. Ze vertelt van de eenzaamheid en de wreedheid van haar moeder. Hoe boze woorden afscheid scheppen en mildheid bij haar niet voorkwam. De stilte, de weinige woorden die als rake klappen aankwamen.

De directeur is stil. Staart naar zijn bekertje. Roert nog terwijl het leeg is. Verlangt zon en vogels. Hij ziet grauwheid als hij naar buiten kijkt. Het gesprek valt stil. Hij twijfelt. Kijkt haar aan. Herkent links en rechts, goed en slecht. Even sluit hij de ogen. Herhaalt de zin die hij wil zeggen. Opent de ogen en zegt totaal iets anders: "precies, daarom hield ik het niet met je moeder uit."

Een stoel valt om. Ze staat, schreeuwt. Begrijpt. Tien seconden stil en toen vielen alle puzzelstukjes op hun plaats. Opeens begrijpt ze alles. Juist deze baan, juist deze carrière, juist dit salaris, juist dit en dan wel bij zo een klootzak. Ze wil praten. Kijken, schreeuwen, vechten. Twee stappen naar de deur, ze kijkt naar buiten. Verlangt naar regen en doorweekt zijn. Zo koud zijn als zij zich nu voelt. Ze zet de stappen. Trekt aan de deur. Er staat een man achter.

Hij luistert. Luisterde, de deur is immers open. Hij maakt zich klein, onzichtbaar lukt niet. Zij draait zich om, wijst, zegt. Zwijgt, dan toch "zie, het is een klootzak." Dan loopt ze het pand uit. Passeert een vaas, de laatste van drie. De tweede was door de Sint geraakt. Ze loopt terug en duwt het ding om. Er kijken mensen op, zij niet. Bovenaan de trap staat een vader, hij gaat de Sint ontslaan. Sprookjes zijn over.

Advertenties

Over ghduval

Wat hier staat is echt, tenminste toch echt in het hoofd van Duval en kan dus niet gebeurt zijn. Uitschrijven van gedachten niet meer dan een vriendelijk gebaar zodat u mee kunt lezen, verwonderen, afwijzen of omarmen. Deze weblog is het aambeeld waarop wordt gesmeed. De mens in al zijn verschillende vormen het ijzer wat gesmeed wordt. De gedachten en vele kronkels van Duval zijn de hamer die ritmisch neervalt. Nu alleen de warmte nog. Dat bent u, webloglezer (v/m), het is aan u het vuur hoog op te stoken zodat het wonder van de smid te bewonderen valt.
Dit bericht werd geplaatst in oud-vkblog-2007-12. Bookmark de permalink .

3 reacties op Er bestaat geen prins op het witte…

  1. tandwielfabriek zegt:

    Uit het leven gegrepen. Nu nog kerst en oud en nieuw en het normale leven begint weer.

  2. Duval zegt:

    Hoe normaal is normaal?
    Durf te wankelen!

  3. Dunya zegt:

    Deze week had ik een gesprekje met een vrouw.
    Zij vertelde dat haar broer,een zeer geleerd man en uitstekend schrijver een speech had geschreven voor haar moeder.
    Hij had het echt gebeurde verhaal over de dood van de vader van zijn moeder beschreven.
    Zijn moeder was echter na het gelezen te hebben in grote toorn ontstoken.
    Zijn visie deed geen recht aan het verhaal,en schilderde haar vader totaal verkeerd af.
    Ik vertelde deze vrouw,dat het heel moeilijk,zo niet onmogelijk is om de woorden van een ander met de juiste intentie weer te geven….ik hoorde haar nadenken en er verscheen een glimlach van begrip op haar gelaat.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s