Parelduikers

* foto verwijderd op verzoek van de maker *

Met rustige slagen trok ze de roeispanen door het water. Het was avond, een vreemde situatie hier in dit verre land. Zo vaak hadden voorbijgangers in haar drukke bestaan gevraagd waarom zij toch steeds naar dat land… Ze had haar schouders opgehaald, zich verontschuldigd met woorden over natuurschoon en rust. Iedere keer werd haar verteld hoe mooi Toscane, de Spaanse kust, Marrakech, Thailand, Egypte en allemaal ook erg rustig als je de plekjes wist.

De plekjes wist ze, als geen ander. Ze zocht ze zelf met heel haar gevoel. Als het kleine vliegtuig geland was nam zij haar rugzak, zocht een taxi en verdween ver van de bewoning. Geen bereik voor mobiele telefoon, dagen zou ze moeten reizen als er ‘spoed’ was. In gedachten lachte ze erom. Zelfs de noodzaak van ‘spoed’ was hier verdwenen. De taxi had haar afgezet en lopend was zij verder gegaan langs denkbeeldige paden: het bos in, verdwalen.

Overnachtte bij een oude boom, trok verder langs meren. De rust bracht haar thuis. Langzaam trok ze verder zijn land in. Het land van Tapio de bosgod. Ze wilde hem ervaren. Niet bij hem zijn was onrust. “Wilde stadse meid” had ze ontroerd met betraande ogen gezegd. Het was de aanblik van drie ouderen op een rij. Het voelde of ze haar aankeken. Gebogen had ze en zichzelf voorgesteld. De wind was gekomen, eerst bewogen bladeren, daarna takken en toen zag ze haar route.

Ze draaide en volgde. Het leek een pad, een open ruimte, een snelweg door oeroude natuur. Het was een oerweg waarover men rotsblokken zou slepen, de wind op kon stuwen tot ongekende snelheden. In de verte zag ze het meer. Sprong van kei naar kei. Bleef haken achter een rots en pats! In haar val zag ze een huisje. Klein en met een rokende schoorsteen. Ze verwachtte Piggelmee of Repelsteeltje, misschien zelfs Raspoetin.

Haar kin deed pijn, het bloed ging stromen. Het lukte niet meer. Haar voet vast. De wind van de bomen. Een wolk voor de zon of was het maan? Ze riep, voelde haar voet, de knie, haar kin. De keien hielden haar vast en boden haar geen gemakkelijk bed. Haar blik op het huisje. Hoorde ze iets? Ze dacht het wel, er bewoog iets, piepte. Langzaam bewoog het deurtje. “Wie is daar” zei de loop van een geweer. “Ik ben het” antwoordde ze zacht.

Een man keek om de hoek van de deur. Zette zijn geweer weg en hielp haar. Zo zat ze later in een huisje met een bed en een tafel, twee stoelen en een vuur. Het was niet koud maar nodig om te koken. Ze depte haar kin met een doek. Deed haar broekspijp weer naar beneden. Alles viel mee maar als je vastzit moet je niet vechten maar toegeven. Ze had het niet begrepen. De man wel. Ze keek naar hem. Het bruine van buitenmensen op zijn witte huid. De gebarsten lippen. Zijn haren wild maar niet onverzorgd.

Stil zaten ze. Zij dacht niet na over zijn stem die Nederlands sprak. Hij niet aan het feit dat hij na lange tijd alleen met een vrouw was. “Je bent kilometers van de bewoonde wereld” zei hij. Ze knikte. “Heb je een bootje” vroeg zij. Hij keek op, wilde praten maar zijn hand ging richting het water. “Goed” sprak ze monter. “Ik wil het gebruiken”. Hij liep weg en schonk haar iets warms in. Samen dronken ze. Hij veegde de mond schoon aan zijn mouw. Zij beantwoordde de vraag die ze vermoedde.

“Parelduikster”. Hij had haar alleen aangekeken. Ze vertelde hem ieder jaar naar parels te duiken, werkelijk overal waar de stilte is kon zij ze vinden. Hij zuchtte, rekte zich en keek haar weer aan. “Als je lang alleen bent wordt je gek, ik ben lang alleen en jij hier dus niet.” Het was logica. Hij stond op, opende de deur en liet haar gaan. Het bootje mocht ze gebruiken, ook om te vissen. Haar hand pakte de deurpost en strompelend liep ze naar buiten. Ze zocht de waterkant, het vrije uitzicht. Zag een bootje en plaatste haar tent. Het huisje verdween in een beetje mist, het groen van bomen en het ruisen van de wind.

Thuiskomen op de rand van land en water. Je rugzak neerzetten. Een plekje kiezen en kijken. Verdomde enkel! Wat een uitzicht! Het opzetten van de tent een automatisme. Brandertje aan, iets eten en kijken, observeren, alles zien. Moe van alle indrukken gaan slapen. Niet vechtend tegen muggen maar glimlachend ondergaan. Dienstbaar zijn aan het evenwicht van natuur, natuur waar mens nog niet als manager druk en hyperactief is. Ze genoot en droomde. Droomde haar dromen van parelduikers. Dromen over parelduikers is goed. Haar hand langs haar hals. Het doden van een mug in een ongemerkte beweging tijdens de slaap.

Ze voelde haar oorbellen. De parels, de glans. De mensen keken, ze voelde zich geweldig en gewenst. Danste als Assepoester op een magisch bal, vond de randen van de tent, draaide om en woelde verder. Het brandertje op veilige afstand van haar tent op basis van eerdere ervaringen. De grote rugzak binnen en onderdeel van haar spel. Zo rolde ze op de tafel, danste met de prins en beminde een man die ze niet kende. Allen voorzien van dezelfde hengsels, precies dezelfde als van haar rugzak. Het deerde haar niet, integendeel: het was fantastisch!

De zon is hier vroeg en begroet de maan. Zij was erbij. Zat stil aan de rand van het water. Naakt. Haar billen zakten in de modder, haar enkel werd gekoeld door het water. Haar andere been trok ze op als bescherming, beschutting en steunpunt. De weinige wind golfde het water. Begroette haar en gaf kopjes. Kopjes tegen de grote teen, net niet in het water. Zij staarde. Voelde de maan en de warmte van de zon. “O parel, o parel” fluisterde zij. Als ze kon staan dan zou zij hem omarmen. Ze verweet de wilde nacht haar pijn.

Langzaam schoof ze terug van het land naar het water. Gaf zich over aan de zuiverheid en zwom. Keek rond en zag het bootje. Schrok van de koelte en de kalmte van de wind. Blijkbaar was zij welkom maar maakte zij haar omgeving niet opgewonden. Dat paste haar niet, ze was vrouw en kwam speciaal voor hen hier. Zij, opzoek naar parels. Parels en Tapio, dat weer wel. Ze lachte, hapte water. Verslikte, te ver van de kant, de rand onzichtbaar, slechts een overgang van land en water. Modder, dik, zacht, stenen, scherp en hoekig. Even ging ze onder. Sloot haar ogen, hij dichtbij. Wilde vastgrijpen, de enkel, omlaag. Nee!

Ze kwam boven, ademde. Sloeg rustige slagen met armen door het water. Een laatste aanzet spoelde haar op de kant. Klom uit het water, voelde zich stukken beter, zuiver, zuiverder maar nog niet herboren. Vlak voor haar tent koos ze haar plek. Sloot haar ogen en sprak. Sprak tot de man die haar niet hoorde. Gebed of meditatie? Het geeft niet. Zij had rust en de zon droogde haar. Kleine dieren liepen voorbij. Kwamen terug op plaatsen die zij verstoorde. Ze liepen rondom haar, keken op maar zij beantwoordde hun blikken niet. Haar ogen gesloten, opzoek naar rust, een evenwichtige ademhaling.

Langzaam opent ze haar ogen. Het geschenk ligt voor haar. Parels als een lang snoer in één witte heldere kleur. Vanuit haar zittende houding buigt ze diep. Fluistert woorden aan Tapio, kijkt op en bedankt de maan, de wind en allen die haar toestaan hier te zijn. De rimpeling zwakt af, de wind verdwijnt. De vele spiegelingen in het water wordt er één. Ze kijkt, voelt en sluit de ogen. Het licht van de maan dringt door haar lichaam. Twee parels die haar aanstaren. Ze hoort de stem die haar aanspoort: “duik, duik erin, raak mij aan, grijp mij, neem, neem deze parel aan.” Even schud ze nee. Opent de ogen en kijkt.

Het licht trekt haar, het bootje niet ver weg. De spotlight gericht op het midden van het meer, een kleine vijver slechts, onvoorspelbare rivier zonder einde vanuit een oud begin. Het lukt haar, slepend. Roeien zoveel makkelijker, gedreven door een pijnschuit in haar enkel bij iedere slag die de roeispanen maken. Het is een vreemd geluid in een oud bos. De boot aan het vergaan, nauwelijks nog mee te varen. Het mos smeert het contact tussen de huid van haar handen en het hout. Ze is gedreven, moet verder gaan. Onderweg naar een ontmoeting met haar maan.

De man zich achter haar. De punt van het bootje, zittend op de rand. Hij kijkt en wacht af tot het juiste moment. Alles van haar ziet hij. De trui en korte broek. Iedere haar weet hij op haar rug te liggen. Als ze spieren aanspant weet hij waar pezen trekken. Hij voelt de pijn vanuit haar enkel, de draaiing van haar lichaam doet hij na. Ze ziet hem niet. Hij is onzichtbaar achter haar en zelfs al zou ze zien dan kan ze de toekomst niet herkennen. Haar tocht lijkt een wanhopige. Steeds kijkt zij om en steeds duikt hij weg. Bang dat haar ooghoek iets op kan vangen van dat wat minder is dan een schaduw slechts.

Haar hand gaat door het water. Een spoor van verstoorde golven. Een verstrooiing van de wilde baren die de roeiboot maakt. Ze ziet de weerspiegeling van de maan als honderdduizend wilde parels schitterend en dansend over het water gaan. Ze denkt aan toen, aan parels en het duiken. De zon, het strand, de warmte. Ze gaat nooit meer, nu alleen. Ze weent. De maan maakt een traan tot kleine parels op haar wang. Onzichtbaar verdriet, alleen, ongrijpbaar, niet eens broos. Ze zucht. Pakt haar roeispaan en keert terug. Draait. Links slaat door het water, rechts fier in de lucht. Krachtig, driemaal is rond. Beide spanen gaan weer door het water.

Ze laat ze hoog, kijkt op en groet de maan. Zegt dat ze hem nooit zal raken, onmacht of gewoon te ver bij haar vandaan. Een wolk maakt een knipoog. Een moment slechts van oneindig zwart. Hij is dichterbij geschoven. Raakt haar trui en kan haar met gemak overmeesteren. Ze maakt de laatste slagen, hij beweegt mee. Leerde haar en al die tijd kon ze hem verdragen, nu voelt zij zich niet meer fijn. Eenmaal kijkt ze om en ziet haar tent dichtbij. Nog één keer zet ze aan. Een laatste krachtsinspanning, roeispanen binnenboord en de boot laten stranden: haar nachtelijke reis voorbij.

Voeten zetten zich schrap. Zijn armen slaan om haar heen. Ze wil ontkomen en trekt de roeispanen naar zich toe. Zijn stem zwelt aan, haar hoofd kijkt om, voelt zijn adem, hoort de klank. Handen laten los, kracht vloeit weg. De boot laat zich verder stromen, vind oever en strand in het licht van de maan. Hij heeft haar, dwingt haar achterover. Door water sleept hij haar mee. Twee roeispanen in het volle licht. Ze wil niet, worstelt, probeert te ontkomen. Kijkt op en kan zijn ogen niet herkennen. Het felle licht weerkaatst in het vreemde gezicht, met witte parels kijkt hij haar aan. Ze opent haar ogen en krijst. Hij vult haar mond met parels. Ze moet wel onder. Duiken, spoelt en reinigt haar mond. Parels verdwijnen, verloren richting bodem van haar kleine oceaan.

Hij spreidt haar benen, alsof hij het vaker heeft gedaan. Steunt met haar voeten op de roeispanen uit het water. Verticaal gezet in de zachte modder van de oever. Ze kan niet verder, hij duwt haar. Staat achter haar, zijn handen dwingend, dwingt haar voorwaarts. Niet zijn macht, maar haar onmacht. Even wil ze verder gaan. Duwt hem terug. Hij laat haar komen. Dan zet hij aan met kracht. Roeispanen die niet verder gaan. Ze zit vast, overstrekt zichzelf. Krijst naar de maan. Schuift over spanen, draait en is los. Hij is weggekomen. Zij vliegt, springt als een dier dat nooit anders dan jagen heeft gedaan. Prooien jagen op het moment dat jagers vertrekken gaan.

Met haar klauw raakt ze zijn oog, dichtbij, net eronder. Een kras, het bloed, de worsteling. Ze hijgt op een rand van land en water. Hij is daar nog of toch dichterbij? Ze voelt hem, haar haren, zijn hand vast. Een meesterlijke overmeestering. Ze kan niet weg, grijpt naar haar hals, parelsnoer breekt en ze voelt deze parels verdwijnen. Het is niet echt, dit is niet echt, ze schreeuwt het om te ontkomen. Ontkomen is niet echt, hij hijgt en geeft het ritme aan. Ze kan niet toegeven en ook niet onder hem vandaan. Droomde ze dit vannacht, gisterennacht of komt dit door de maan? Hij heeft haar, zij is veroverd. Het is een droom, niet bestaand.

Het kan niet echt. Haar hoofd hangt. Al dagen zit ze zo. Vergeten te leven, de geest uit haar lichaam gegaan. Gedachten verward en onsamenhangend. Hoe vaak is ze al niet in het water gegaan? Wat heeft zij gegeten? Dat ene moment maakt haar gevangene van deze plek. Het is alsof het land van woud en meren haar opeist. Een einde aan haar menselijk bestaan, deel uitmaken van de gebruiken van deze omgeving. Haar hand zwaait naar de maan. Nu die er weer is, is terugkeren onmogelijk. Haar oren worden overdonderd, probeert zich af te sluiten maar weet dat ook zij nu moet gaan. Ze vecht tegen het felle licht, zijn sterke armen. Stoot haar hoofd tegen zijn helm, de motor lijkt uitgedaan.

Een camera filmt, het laatste van haar bestaan. Een kapotte tent, flarden wapperen op de woeste wind van de machine. De rugzak wordt gepakt, haar arm, alles erin. De riemen vast, haar hoofd nog steeds gebogen. Haar laatste kracht, allerlaatste kracht en nu is het overbodig geworden. Haar lichaam hangt, schud op schokken van een wild machien. Het vliegt, voert haar mee, terug naar een evenwichtig bestaan. Nooit zal ze meer terugkeren, nooit meer weggaan, altijd veilig in een platgebaand bestaan. Hij lacht, zij kan hem niet horen. Zijn stem zegt dat ze gevonden is, leeft maar ontdaan. Zij wijst, zijn oog, zijn hand. Ze ziet wat zij heeft gedaan. Hij begrijpt het niet, tikt vragend tegen het spiegelende beschermende masker.

Ziet ze hem of de man naast haar? Het is onduidelijk. Alles zo ver bij ons vandaan. Het was avond, met rustige slagen trok ze roeispanen door het water. Een klein riviertje, de zon al ondergegaan. Samen met haar vader, samen teruggegaan. Hij lachte, zat voor haar en keek haar aan. Hij noemde haar zijn parelvisser. De kalmte liet zijn stem ontstaan. Zachtjes zong hij een mooi duet. Eenden landden in het water, in de verte zwom een zwaan. Zwart en wit, ze wist: dit is de nacht dat zij onder zou gaan.

Bron afbeelding: Renz van Delzen
Verder lezen? Ik twijfel of ik een ‘making of’ laat ontstaan. 

Misschien willen anderen mee doen aan dit experimentje. Ook ik kan een woord, onderwerp of zin geven aan een andere schrijver…een uitwisseling. Wij wisselde en ik maakte mijzelf deel van een experiment. Morgaine schreef mij het volgende woord: “Parelduiker”, ik gaf haar de zin “De man dicht bij mij”. Zo zijn wij uit elkaar gegaan, maandag zouden wij publiceren. Haar bijdrage staat hier.

Advertenties

Over ghduval

Wat hier staat is echt, tenminste toch echt in het hoofd van Duval en kan dus niet gebeurt zijn. Uitschrijven van gedachten niet meer dan een vriendelijk gebaar zodat u mee kunt lezen, verwonderen, afwijzen of omarmen. Deze weblog is het aambeeld waarop wordt gesmeed. De mens in al zijn verschillende vormen het ijzer wat gesmeed wordt. De gedachten en vele kronkels van Duval zijn de hamer die ritmisch neervalt. Nu alleen de warmte nog. Dat bent u, webloglezer (v/m), het is aan u het vuur hoog op te stoken zodat het wonder van de smid te bewonderen valt.
Dit bericht werd geplaatst in oud-vkblog-2007-04. Bookmark de permalink .

2 reacties op Parelduikers

  1. Morgaine zegt:

    Ik lees het, maar zal het nogmaals lezen, het verhaal versluierd nog, ik kan het niet pakken.

  2. Duval zegt:

    Je hebt niet gevraagd iets makkelijks te schrijven.
    Ik kon ook schrijven over twee verliefden, desnoods herhaalde ik een opera. Ik had kunnen schrijven over parelduikers, de fysieke prestatie om zo diep zonder hulpmiddelen.
    Toen ik begon wist ik dat het moeilijk zou zijn. Aan het einde overwogen heel iets anders te schrijven en toch dit laten staan.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s